14 mei 1940, Rotterdam Schoolstraat 13.15 uur
‘Hou je nou op, je blijft hier, hoor je me? Het is oorlog hoor!’ Het was stralend weer op deze middag in mei en Sophia wist niet hoe ze de kinderen binnen moest houden in die te krappe woning tussen Goudsche Singel en Goudsche Weg. Andries was onlangs ook bij hen ingetrokken en zat hele dagen thuis te niksen. Toen ze elkaar ontmoetten werkte hij al tien jaar bij Van der Burg’s Borstelfabriek, maar dat was van de één op andere dag afgelopen. Dus nu zat hij thuis, zonder werk en met nauwelijks geld van de steun. En dat terwijl hij haar wel nog in januari ’40 een baby — en een extra mond om te voeden dacht ze dan — rijker had gemaakt.
Nou ja, of hij dat kind had veroorzaakt was niet helemaal duidelijk, het voorjaar van ’39 was wat rommelig verlopen. Van Zandwijk was dan wel vertrokken in 1938, maar kwam regelmatig langs om afdrachten te doen van zijn schamele kappersinkomsten. Zijn kapperszaak aan de Diergaardesingel had af en toe een opleving en dan was er een extra inkrulmeisje nodig. Maar de op handen zijnde verhuizing van de diergaarde deed Van Zandwijk voor het ergste vrezen. De drukte langs de singel was lang zo groot niet meer. Zo lang er niet een formele scheiding was uitgesproken en iets was geregeld tussen hen moest Sophia achter dat geld blijven aan lopen, al viel er dus niet veel te halen. Op die manier kon Van Zandwijk wel nog met enige regelmaat zijn dochters Sofie en Joke blijven zien. En als ze niet ruzieden over geld werd het soms ook nog wel meer dan gezellig tussen de twee. Zij trok met de twee dochters van adres naar adres in het oude noorden en in het stadscentrum, van huurschuld naar huurschuld. In dezelfde periode was ze gaan scharrelen met Andries, die in dezelfde straten ook van kamer naar kamer trok, meestal inwonend als onderhuurder.
Uiteindelijk was in de zomer van 1939 dan de scheiding uitgesproken tussen Sophia en Van Zandwijk. De dochters bleven wel Van Zandwijk heten, maar wie van de heren Sophia’s laatste zwangerschap op zijn geweten had was niet meer te achterhalen. Zij dacht van Andries, Van Zandwijk dacht van hem zelf en Andries, die moest het eerst zien voordat hij iets zou geloven. Het werd nog een heel onaangename woordenwisseling, bij de ondertekening van de scheiding. Van Zandwijk had gedreigd met juridische stappen, Andries had gedreigd met zijn heel grote werkmanshanden. Sophia had op allebei gescholden.
‘Nee, je gaat niet naar de Veemarkt, je blijft hier!’ Sofie en Joke bleven aandringen en jengelen. Maar oorlog was moeilijk uit te leggen aan kinderen van acht en vijf. En de Duitsers stonden al lang en breed op Zuid voor de bruggen. De meisjes zwierven altijd in de buurt rond en waren sinds de eerste dagen dat ze in de Schoolstraat woonden vaak bij de Veemarkt te vinden, een paar straten verderop. ‘Zal je goed op Jopie passen?’, zei Sophia dan altijd aan de deur tegen de oudste van de twee. Het was altijd ‘Jopie’, nooit ‘Joke’, laat staan ‘Johanna Catharina’ zoals Van Zandwijk haar op dringend aanraden van zijn moeder had laten vernoemen naar haar eigen ouders. Het marktplein van de Veemarkt was op de meeste dagen één grote lege speelplaats, waar je als kind fantastisch kon hangen en zwieren aan de metalen stangen. Op marktdagen werden de dieren aan de hekken vastgezet. Dan was het een komen en gaan van auto’s en zaten de kroegen rond het plein meer dan vol. Al was het plein dan midden in de stad, je hoorde dan tot ver in de omtrek van de Veemarkt de koeien loeien. Maar vandaag, op 14 mei 1940, zaten de meisjes griepend van onbegrip in een hoekje van de kamer.
‘Ik vind het stom’, begon Sofie, ‘andere kinderen zijn vast allemaal lekker buiten in de zon en wij…’ De laatste woorden gingen verloren in het klaaglijk gehuil van de luchtalarm sirenes. ‘Godverdomme, ook dat nog,’ vloekte Andries terwijl hij opsprong van zijn stoel en de meisjes hardhandig bij een arm greep. ‘Kom, vlug.’ Terwijl Sophia de baby in een deken wikkelde, trok hij de meisjes mee, de trap af, de straat op. Hij spoorde Sophia aan, die nog een zak had willen vullen met wat eten. ‘Schiet nou verdomme toch op!’ Achter Sophia trok hij de deur van de woning dicht. Ze snauwden elkaar toe, de kinderen gingen huilen, de baby het hardst.
Ze holden naar een kerk verderop in de straat, waar meer mensen haastig het voorportaal binnen gingen. Ze schuifelden achter de groep aan het halfduister van de kerk in. Het was niet het eerste luchtalarm van die week en misschien was het nu ook weer zo voorbij. Twee dagen terug nog was de dierentuin door bommen getroffen. En vanuit de richting van de rivier klonk al dagenlang een voortdurend geratel en gedreun.
Het volgende moment werd het luchtalarm echter geheel overstemd door zware, daverende geluiden die zelfs de kerkvloer deden trillen. Kalk en steen tuimelden van boven uit het gebouw naar beneden. Sophia keek angstig op naar Andries, zocht zijn ogen die langs de hoge muren en ramen heen en weer flitsten. Ze klemden de kinderen en de baby tussen hen in. De mensen begonnen te gillen, het ronken van Duitse bommenwerpers, het gedreun van ontploffing na ontploffing kwam veel te snel dichterbij. Met een oorverdovende, rinkelende klap vlogen de kerkramen aan één kant van het gebouw naar binnen, waar paniek uitbrak. Andries kneep nog harder in de armen van de kinderen, bang als hij was ze nu kwijt te raken. Hij keek om zich heen. ‘We gaan er uit Fie,’ schreeuwde hij boven het geraas van de explosies buiten uit, ’blijf dicht bij me!’ Sophia drukte de baby tegen zich aan en holde achter Andries aan, die de twee meisjes mee naar buiten sleurde, weg van het afbrokkelend kerkgebouw.
Buiten klonken de klappen nu steeds verder het centrum in. Door rook, stof en branden was het zicht beperkt. De Schoolstraat was onherkenbaar, herkenningspunten waren verdwenen. Hele gevels van huizen vielen in de straat. Het gekraak van brekend hout, gevolgd door het gerommel van vallend puin klonk als een helse onweersbui. Sophia volgde Andries zo snel ze kon, de kinderen en de baby huilden nu aan één stuk. Vloekend en tierend trok Andries ze over de brokstukken heen. Hij hoestte en rochelde, schreeuwde de meisjes toe dóór te lopen. ‘Niet kijken godverdomme!’ hij rammelde Sofie dooreen, de klemmende greep op haar arm geen seconde verslappend. Links en rechts lagen volwassenen en kinderen tussen het puin, armen en benen in vreemde hoeken gestrekt. Sophia kneep haar ogen tot spleetjes, trok de baby nog dichter tegen haar borst en maande Joke, aan de andere hand van Andries, met duwtjes in de juiste richting. Zo holden ze voort, uit de puinhopen en resten van hun straat.
In een zwellende stroom volwassenen en kinderen trokken ze verder, langs de Goudsche Rijweg, de Boezem over, zo snel mogelijk de stad uit. Links en rechts brandden huizen als een fakkel en probeerden buurtgenoten te redden wat te redden viel. Huisraad werd uitgestald in de straten, waarmee vervolgens anderen weer aan de wandel gingen. Onderweg hield Andries eenmaal halt, hij drukte de kinderen tegen Sophia aan. ’Hou vast!’ schreeuwde hij schor. Samen met andere mannen en vrouwen stortte hij zich op twee broodkarren, die volgeladen klaar stonden voor een bakkerswinkel, maar door het bombardement waren verlaten. Snel klemde hij een paar broden onder een arm, gaf Sophia en de oudste van de twee dochters een brood en greep de kinderen weer vast voor het laatste stuk van de exodus.
Tussen twee en drie uur s middags arriveerden ze, wit van steengruis en stof, aan de Kralingse Plas, waar ze met een groeiende menigte Rotterdammers veiligheid probeerden te vinden, verder weg van de bebouwing. De kinderen speelden tussen de bomen en aan het water, ongerust gade geslagen door moeders en oudere zussen. De volwassen mannen stonden wat verderop en bespraken de situatie.
Sophia zeeg neer op het gras langs het water, haar ogen op de baby gericht. De drukte om haar heen, de meizon die steeds meer in de rook opging, de twee broden aan haar voeten, alles vervaagde. Het bundeltje in haar armen was in slaap gevallen, had zich in slaap gehuild, eindelijk. Ze probeerde het schokken van haar schouders te beheersen, bang als ze was dat het kindje weer wakker zou worden. Ze kon het niet meer tegenhouden en tranen, vermengd met gruis en stof, daalden neer op het dekentje. Als ze haar ogen opende was alles mistig, als ze die weer sloot zag ze puin en dood. Ze zag het kerkraam versplinteren, muren instorten, brandende huizen, ledematen van onder steen, met een schoen aan, een herenschoen, ze dacht dat het een herenschoen moest zijn, ze volgde de schoen en het been met haar ogen tot waar die onder de stenen verdween, tot het beeld weer weg was, vervangen door een ander, mensen met huisraad, geluidloos, trekkend aan een kast in een deuropening, vlammen uit een raam daarboven, brandende gordijnen, emmers, een keten van mensen met emmers, gevuld vanuit de Boezem, een verlaten brandweerauto, de slangen hulpeloos en plat er omheen op straat, zwarte, walmend vette rook uit een garage, waarschijnlijk, want er hing een bord ’garage’, de broden uit de bakfiets, twee vrouwen, trekkend aan één brood, ze had ineens zo’n dorst, zo’n verschrikkelijke dorst, ze keek op.
‘Of we met die jongetjes mogen spelen, dat vroeg ik.’ Sofie wees over haar schouder, waar twee ventjes met smoezelige gezichtjes verwachtingsvol terug keken. Joke trok naast haar paardenbloemen uit het gras. Sophia knikte gedachteloos.
De zon scheen, de lucht achter de plas was nog blauw. Maar voorbij de huizenrand, voorbij Crooswijk en Kralingen, naar het westen, torenden reusachtige vuilzwarte rookwolken hoog boven de stad uit. Roet en stukken half verbrand papier kwamen af en toe neer tussen de mensen die een plek in het gras aan het water hadden gevonden.

Voorpublicatie © 2018 E. Burger
Foto © 2015 E. Burger