Van Zandwijk bleef in de deur van de kapperszaak aarzelen, zijn jasje gevouwen over één arm, de huissleutel in zijn hand. Jasje aan of jasje uit? De voorjaarszon scheen uitbundig. Afsluiten of toch maar blijven? De klandizie was de hele ochtend bedroevend laag geweest, terwijl het gewoonlijk op dinsdagochtend druk genoeg was om hulp van het inkrulmeisje in te zetten. Maar Van Zandwijk had haar aan het begin van de ochtend al naar huis gestuurd.Het was ook niet vreemd dat de klanten weg bleven, de oorlog woedde al meer dan vier dagen rond de stad. De vaste klanten die nog wel waren gekomen raakten niet uitgepraat over wat ze hadden gezien: Duitse watervliegtuigen op de Maas, schietpartijen rond de bruggen, zenuwachtige soldaten en politie agenten in de binnenstad. Hij keek de kapperszaak rond: de spiegel, de stoel, de plankjes met haarverzorgingsprodukten. Alles stond er piekfijn bij zo. En hij dacht: deze kapperszaak – en zijn Wien natuurlijk! –  was alles wat hij nodig had in het leven. Bijna tweeëndertig jaar was hij nu, hoogste tijd om zijn zaakjes op orde te hebben!

Nog maar kort geleden, in december ‘39, was hij met Haddewina Kuit getrouwd en sindsdien woonden ze hier aan de Diergaardesingel, boven de kapperszaak. Zolang er nog geen kinderen waren zou Wien blijven werken, als serveerster. Zo hadden ze elkaar ook leren kennen. Van Zandwijk had een afspraak gehad in Loos, het populaire Rotterdamse café-restaurant aan het Hofplein. Het halfronde etablissement  maakte deel uit van het treinstation en was bovendien gelegen aan het belangrijkste verkeersplein van de binnenstad. Het was altijd druk bij Loos. Een uur had hij daar vergeefs zitten wachten op een makelaar die in een krantenadvertentie een winkelpand met bescheiden huur beloofde. En hij had geen nee durven zeggen toen de man bij Loos wilde afspreken. Van Zandwijk had geen geld voor restaurants, maar vooruit, hij had toegestemd.
‘Doet u dan nog maar een koffie, juffrouw,’ had hij zuchtend tegen de serveerster gezegd. Hij draaide zijn hoofd al weer naar het grote raam, waarachter de trams, auto’s en fietsers dooreen krioelden over het Hofplein.
‘Is ze niet gekomen dan?’ Van Zandwijk had geen vraag verwacht. Zeker niet van de serveerster. ‘Eh..,’ hij voelde een blos opkomen en drukte zijn brilletje vaster op zijn neus. ‘Nee! Of eigenlijk, eh, hij is niet gekomen. Een man.’ Ze had gelachen om zijn onhandige antwoord.

De volgende dag was hij toch maar weer naar Loos gegaan, nu om te kijken of ze dienst had. En daarna wéér. Na nog een paar van die ontmoetingen, waarbij de gesprekjes niet verder kwamen dan de buitentemperatuur of de drukte in de zaak, had ze plompverloren voorgesteld samen te wandelen, als haar dienst er op zat. Hij wist niet wat hij hoorde. Van Loos op het Hofplein tot aan de Bijenkorf aan het einde van de Coolsingel had ze honderduit gepraat. Hoe ze uit Amersfoort in Rotterdam terecht was gekomen – kende hij Amersfoort? – hoe ze van de bossen hield, maar nog meer van de stad, hoe blij ze was met Loos, want dat was toch ‘echt wel op stand’, hoe ze hield van de verlichte etalages. Ze gaf hem een arm en trok hem mee de straat over langs het Calandmonument. Samen hadden ze de fel uitgelichte etalages van de Bijenkorf bewonderd.
’Hee,’ ze trok hem aan zijn jas, ‘je moet wel lachen hoor, bij Loos kon je nog lachen daar straks.’
Hij zuchtte, keek naar de prijskaartjes en dan naar haar vrolijke blik. ‘Tja, weet je, ik ben maar een kapper hoor, ik weet niet…’ Ze had hem op zijn neus gezoend voor hij zijn bedenkingen had kunnen uiten. En toen was hij verkocht.

Hij schrok op uit zijn herinneringen door het geluid van schoten in de verte, uit de richting van de rivier, stapte naar buiten en sloot de deur af. Hij trok het jasje toch maar aan. Met een mouw poetste hij de koperen deurknop nog eens op. Hij deed een stap naar achteren en keek op naar het winkelraam van de kapperszaak en daarboven de ramen van hun bovenwoning. Van Zandwijk wierp een blik op zijn horloge, het liep al weer tegen half twee, als hij doorstapte was hij misschien nog op tijd bij Loos voor haar pauze. Op het moment dat hij de sleutel in zijn broekzak stopte en de straat overstak klonk het klagelijk gehuil van het luchtalarm over de daken van de Diergaardesingel.

Voorpublicatie © 2018 E. Burger
Foto © 2019 E. Burger