Berlijn graffiti 2022 - foto Eric Burger

De metadata van leven en dood – en wat te herdenken?

Het is 4 mei 2026 en ik herdenk:

Auschwitz 1942:
Mozes Silberstein
Jacob (Jaap) Silberstein
Israël Silberstein
Rika Cohen, echtgenote van Israël
Paulina van Geens-Silberstein
Hartog van Geens
Jonas van Geens, 20 jaar
Levie van Geens, 13 jaar

Sobibor 1943:
Sophia (Fietje) van Geens, 17 jaar
Christina Vischjager, vm echtgenote van Seelig Silberstein

Rotterdam 1944:
Hein Ruijbroek

In de zomer van1942 werden joden in Nederland opgeroepen voor deportatie. Maar iets meer dan de helft van de voor deportatie opgeroepen Rotterdamse joden gaf gehoor aan die brief, die valselijk ‘werkverruimende maatregelen in Duitsland’ in het vooruitzicht stelde. Daarom werden ze vanaf oktober 1942 van huis opgehaald door vooral Rotterdamse politieagenten en naar Loods 24 gebracht, net over de Maasbruggen op Zuid. Waarna Duitse militairen hele gezinnen, kleine kinderen en ouden van dagen achter die loods de treinen in dwongen. De Nederlandse Spoorwegen verzorgden het vervoer naar Westerbork. Daar werden joden vanaf 1943 bewaakt door onder andere Nederlandse Marechaussees.

Vindbaarheid door registratie: de papieren mens

Dat mijn familieleden door de bezetter zo gemakkelijk vindbaar waren geweest, in een grote stad met honderdduizenden inwoners, kwam onder andere door de vlotte besluitvorming van hoge Nederlandse ambtenaren. Hoofd Rijksinspectie Bevolkingsregisters Jacobus Lentz –  uitvinder van het persoonsbewijs – had  juist in de registratie van joden perfectie nagestreefd. En mede daardoor had Nederland niet alleen relatief maar ook absoluut het hoogste aantal joodse slachtoffers van West-Europese landen te verduren gehad.

Registratie dus. De metadata van leven en dood. Lentz was geen nazi, geen antisemiet. Wel had hij een obsessie met correcte registratie. Compleetheid. Overzicht. Hergebruik van data. Hij had ruim voor de Tweede Wereldoorlog al een visie op ‘de papieren mens’ in registraties die de autoriteiten ‘alle gewenste informatie over zijn persoon verschaffen.’ Hij vond de exacte samenstelling van de joodse bevolking ook razend interessant. En ook òf  – en in hoeverre  – die zich vermengd had met de Nederlandse bevolking.

Hele, halve en kwart joden

Natuurlijk, het was nazi Duitsland dat eiste dat de joden hier in Nederland ambtelijk zouden worden geregistreerd, maatschappelijk geïsoleerd en uiteindelijk gedeporteerd. Het was niet zo dat op voorhand helder was wie als ‘jood’ zou worden aangemerkt. De Nederlandse bevolkingsregistratie vermeldde wel de kerkelijke gezindte, maar de rassenleer van de nazi’s  maakte gebruik van een ingewikkelde mix van afstamming en religie. Zodat door zelf-registratie zou worden vastgelegd hoeveel joodse grootouders men bezat. En of die dan ‘voljoodsch’ waren, dat wilde zeggen ‘lid geweest is van een Joodsche gemeente.’ De vermenging van afkomst en godsdienst was een bron van onduidelijkheid en aanleiding voor nadere uitleg en waarschuwingen in de kranten, zoals in het Rotterdamsch Nieuwsblad februari 1941: “Aanmelden moet zich dus ieder, die ook slechts één Joodschen grootouder gehad heeft. Zijn geen van de vier grootouders ooit lid geweest van een Joodsche gemeente, dan kan er niettemin toch een aanmeldingsplicht ontstaan, namelijk dan wanneer één dezer grootouders naar het ras voljoodsch was…’.

Deze ingewikkelde clausules bij een gemengde afkomst, zouden later, evenals de mogelijkheid van een gemengd huwelijk tussen een joodse en niet joodse partner voor zovelen het verschil tussen leven en dood betekenen.

Edelruiters van Nederlands fabrikaat

Joden moesten aan het gemeenteloket leges betalen voor een aanmeldingsbewijs. Gemeente ambtenaren verzamelden de aanmeldingen en stuurden ze naar de Rijksinspectie in Den Haag, maar niet voordat ze een nieuwe vinding toepasten in hun lokale bevolkingsregister: Lentz was namelijk niet alleen een overijverig ambtenaar, hij had ook octrooi verworven op de zogenaamde ‘Edelruiter’, een tab die bovenop een persoonskaart kon worden bevestigd door middel van een doorzichtig bandje om de kaart. Lentz had ook financieel belang in de fabricage daarvan. De zwarte tabs, met daarop afhankelijk van afstamming de letter ‘J’ maakte sneller terugvinden van de juiste kaarten eenvoudig en efficiënt. Dat Lentz ook tabs liet vervaardigen voor gemengde afkomst, met aanduidingen BI en BII  – B voor ‘Bastaard’ op Duits verzoek – gaf nog vertraging in de uitvoering van de operatie, aangezien de tabs op het laatste moment nog vervangen moesten worden voor het neutraler klinkende G I en G II (van ‘Persoon van gemengde bloede’). Bedenk dus dat in de eerste helft van 1941 honderden gemeentelijke ambtenaren in honderden gemeenten in het land bij hun bevolkingsregisters druk waren met formulieren inzamelen, bewijzen van aanmelding typen, persoonskaarten bijwerken en dus die Edelruiters plaatsen.

Lentz zelf zou in de zomer van 1942 met enige trots een statistisch boekwerk over de samenstelling van de Nederlandse joodse bevolking laten drukken bij de Landsdrukkerij. De inleiding daarvan had hij maar vast in het Duits opgesteld. Hij hoopte dat het werk tot ‘einen besseren Einsicht in diese wichtige Materie’ zou bijdragen.

Gemengd gehuwden

De SS-officier Aus der Fünten, die de deportaties in Nederland organiseerde, had bij aanvang daarvan al aan de Joodse Raad laten weten dat gemengd gehuwden en ‘halfjoden’ vrij zouden zijn, hoewel het juridisch/’wetenschappelijk’ debat in Duitsland de gehele oorlog zou voortwoekeren. Want het ontzien van deze groep zou het vermeende ‘joodse probleem’ niet definitief genoeg oplossen, vonden zij daar. Hoewel de nazi’s gemengd gehuwden dus onder een ‘verlicht regime’  plaatsten werd mijn gemengd gehuwde overgrootmoeder Gusta Thoonsen geboren Silberstein, wel in mei 1942 verplicht in het openbaar een jodenster te dragen. Het duurde nog tot najaar ’43 voordat de Afdeling Bevolking van Gemeente Rotterdam Gusta ‘ontsterde’. In een legger met opschrift Correspondentie betreffende de aanmelding van Joden, Klassificatie no. -17.55 is vermeld dat ze vrijstelling heeft gekregen van het dragen van de jodenster en een nieuw persoonsbewijs krijgt toegezonden.

De administratie kloppend houden

De bevolkingsregisters en de statistieken van het CBS moesten kloppend worden gemaakt met aanduidingen als VOW (‘vertrokken onbekend waarheen’) of: ‘vertrokken naar Duitsland’. De meesten keerden nooit meer terug, waren al enkele dagen na vertrek uit Westerbork of Hooghalen dood. Overlijden was niet formeel te bevestigen. Het zou voor verwanten nog tot jaren na de oorlog duren, voordat er officiële overlijdensverklaringen konden worden verstrekt.

Wat te herdenken?

Het is mei 2026 en ‘de oorlog’ raakt meer en meer uit zicht. Maar er is volop racisme, heulen met autoritaire stromingen en een bureaucratie in onze overheid die door digitale registraties en nieuwe mogelijkheden niet altijd ten dienste staat van de samenleving. Maar zichzelf beschermt en centraal stelt, in plaats van de mens. Herdenken èn kritisch denken, daar gaat het om. Het is niet voor niets dat ik er al langer voor pleit dat het boek Lentz, de man achter het persoonsbewijs van Jurriën Rood (Noordboek 2002) verplichte leerstof wordt in ethieklessen binnen informatiebeheer- en archiefopleidingen.

In herinnering aan mijn moeder Joke Burger-Van Zandwijk (Rotterdam, 20 april 1935 – Rotterdam, 4 mei 2016), kleinkind van Gusta Thoonsen-Silberstein, achterkleinkind van Sophia Silberstein- Levin

Eric Burger, 3 mei 2026

Afbeelding: Berlijn graffiti 2022 – foto Eric Burger

1 reactie op “De metadata van leven en dood – en wat te herdenken?”

  1. Rob Rensman

    Goed stuk, Eric! Hier in het VK is het nota bene een labour minister van volksgezondheid die onze medische gegevens aan Palantir uitverkoopt. Informatie over meerdere lucratieve contracten met Amerikaanse tech-giganten worden hevig geredigeerd zodat niet duidelijk is welke gevoelige persoonsgegens in stilte worden overgedragen.

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *