20 september 1940, Amersfoort Leusderweg 165 9:35 uur
De soldaten posteerden zich in een keurige rij op het grind langs de voorgevel van de woning annex kapperszaak. Toen een eerste zich onder het raam door de knieën liet zakken om te gaan zitten, volgden de anderen zijn voorbeeld. Duitse soldaten in grijze uniformen met glimmend leren riemen. Of soldaten, het waren eigenlijk nog jongens. Ze dolden met elkaar voor een ruimere plek onder het raam. Van Zandwijk zag het van binnen uit de woonkamer met de kappersstoel even aan en knipte weer snel door. Tien blonde jongens die identieke kapsels wensten: van achteren kort en opgeknipt, van voren een ruime blonde kuif, de oren vrij. Selbstverständlich.
Eén van de Duitsers werd juichend terug verwelkomd in de groep. Hij had bij Van Zandwijks buurman aan de Leusderweg, slager De Boer, een fors stuk worst gekocht. Hij vouwde het papier open en deelde worst uit aan zijn kameraden, stukken snijdend met een groot mes. De jongen stapte, uitvoerig zijn laarzen vegend op de deurmat, de woning binnen en stak de worst op het papier uitnodigend naar Van Zandwijk uit. Die gebaarde hulpeloos met zijn schaar en kam en schudde van nee.
Op dat moment kwam Haddewina tevoorschijn uit het achterhuis, haar schort losknopend. Om zich een houding te geven wendde de jongen zich dan maar tot haar en prikte een stuk worst aan zijn mes. Ze nam het stuk aan en onder het mompelen van ‘Danke schön’ maakte ze zich weer uit de voeten richting keuken.
’s Avonds in bed had Haddewina aan het voorval gerefereerd. ‘Dat was een aardige jongen, die soldaat’, zei ze. Van Zandwijk had niet meteen geantwoord. Hij antwoordde nooit meteen. Hij staarde in het duister.
‘Wat vind jij dan, dat was toch een aardige jongen?’ herhaalde ze de vraag daarom maar na een tijdje.
‘Ja…’
Van Zandwijks stem stokte. Hij dacht na. Of eigenlijk dacht hij niet, maar vlogen de beelden en gedachten van links naar rechts, van voor naar achteren door zijn hoofd: de geüniformeerde jongens, hun Duitse taal, de blonde kuiven, de grappen en het gelach. Maar ook het stuurse gezicht van die andere dame uit de straat, die vandaag haar afspraak was komen afzeggen. En de grijns van slager De Boer, die worst verkocht. Aan iedereen die betaalde, natuurlijk. Cor de Boer had het nog letterlijk tegen hem gezegd van de week, ‘Dan draai ik er toch knoflook door, kan mij het schelen.’ Bij slager De Boer bleven de mensen wel komen. En bleef de kassa wel rinkelen. Van Zandwijk kon er de vinger niet helemaal achter krijgen: hij voelde zich kwetsbaar hier aan de Leusderweg. Een nieuwkomer in Amersfoort, uitgebomd in Rotterdam. Natuurlijk knipte hij die Duitsers ook. Wat moest hij dan. Maar hij werd er op aangekeken. Van Zandwijk had zorgen, geldzorgen, zijn stem liet hem in de steek en hij kon het malen in zijn hoofd niet goed stoppen.
‘Eh, wat zei je daarnet?’, vroeg Van Zandwijk uiteindelijk.
‘Wien?’
Geërgerd draaide ze zich op haar andere zijde.
‘Laat maar. Welterusten Jan.’

Voorpublicatie © 2018 E. Burger
Foto: film still Triumph des Willens (Leni Riefenstahl, 1935)