Vrijdag 24 januari 1941, Leusderweg 165 Amersfoort, 16.05 uur

‘Amersfoort, 24 Januari 1941’, Van Zandwijk liet de pen rusten op het papier en keek naar Haddewina, tegenover hem. ‘En dan?’

‘Nou, dat jouw neef daar werkt, dat jij daar ook wel zou willen werken, in Essen. Als kapper. Zoiets toch?’

De datum van 1 februari naderde snel, de huur moest worden voldaan en Van Zandwijk wist niet hoe ze huisbaas Bloemheuvel nog eens uitstel moesten vragen. Het geld was op. Van Zandwijk had het nog een maand weten te rekken, omdat hij op de heide buiten Amersfoort soldaten van een leerbatterij had geknipt. Jonge, Duitse soldaten van de SS, die voor een artillerieopleiding het geschut leerden te bedienen dat op sommige dagen tot in hun straat goed was te horen.

Zonder verdiensten geen geld, zonder geld geen huis en als werkloze stuurde het arbeidsbureau je binnen de kortste keren richting Duitsland. Daar was altijd werk genoeg zo leek het. Nu werden die arbeidsbureaus steeds meer bevolkt door NSB’ers die elkaar de beste kantoorbaantjes toeschoven, in Nederland. En die hadden voor anderen maar één soort vacatures in de aanbieding: voor Hitler-Duitsland.

Alleen in het verre buitenland, het was Van Zandwijks schrikbeeld. Hij moest kunnen terugvallen op iemand die er voor hem was, die voor hem zorgde. Op zijn achttiende had hij zijn depressieve moeder en zijn stiefvader gedag gezegd. Zijn eigen vader had hem na de scheiding in de steek gelaten toen Van Zandwijk negen jaar oud was. Toen zijn moeder van een doodgeboren jongetje was bevallen, vijf jaar eerder, was het eigenlijk geestelijk al snel achteruit gegaan met haar. Na de scheiding had Van Zandwijk zijn vader nog wel eens gezien, maar toen zijn moeder opnieuw zwanger werd niet meer. Het kindje van zijn moeder en nieuwe stiefvader overleed al na drie maanden. En toen kwam het helemaal niet meer goed met moeder… Later hoorde Van Zandwijk dat er ook vóór zijn geboorte al sprake was geweest van een overleden kindje. Het was eigenlijk een wonder dat hij er zelf was gekomen! Maar het voelde niet als een wonder. Want in plaats dat zijn ouders blij waren dat hij dan wel gelukt was, gingen ze scheiden en deed moeder gaandeweg steeds vreemder.

Hij had na zijn vertrek uit huis drie jaar rondgezworven, eind jaren twintig was dat geweest. Ridderkerk, Rijsoord, Oud Beijerland, overal had hij kortstondig een kamer weten te huren en knipte hij nu eens hier en dan weer daar. Totdat hij in Rotterdam belandde en langs de kades van Katendrecht de matrozen van de grote vaart knipte. Duitsers, Russen, Chinezen. Totdat hij Sophia vond. Of eigenlijk zij hem. Maar ook dat was mislukt.

‘Jan, hoorde je me? Dat je kan schrijven dat je neef daar woont en wij dat ook wel zouden willen, daar in Essen? En dat je hier Duitsers hebt geknipt, dat vinden ze vast goed klinken.’ Haddewina deed zo nog wat suggesties. Van Zandwijk had haar echt moeten overhalen in te stemmen met een poging om samen naar Duitsland te emigreren. Ze had bijna de hele maand nog getwijfeld. Amersfoort was veilig, het was haar geboorteplaats en er was altijd nog de steun van haar moeder. Dat zou allemaal wegvallen. En de buurt, nou ja de buurt had hen toch al met een scheef oog aangekeken.

‘Heden werk ik als friseur, maar ik kan hier mijn kosten niet verdienen, want ik word gebooicot.’

Van Zandwijk keek op van het vel. ‘Is dat wat, Wien?’ Haddewina knikte instemmend. Hij las het nog eens over. ‘Schrijf je dat zo ‘gebooicot’?’

‘Mijn vrouw heeft gewerkt als kelnerin in Rotterdam. Ik ben vanaf 1 juni 1940 in Amersfoort. Toen werd ik aangesteld in een leer batterij bij de S.S. troepen en die zijn nu weg en daarom word ik hier gebooicot.’ Hij vond het niet helemaal logisch klinken zo, maar ze begrepen in Essen vast hoe dat zat.

Van Zandwijk had de brief snel voor vijven naar het postkantoor gebracht.

Een paar dagen had de spanning geduurd. De domper was dan ook groot toen er per kerende post een keurig net Duits briefje terugkwam met de vraag of het schrijven von Herrn Van Zandwijk ook in het Duits op schrift kon worden gesteld. En er was een oproep – ook in het Duits – van de Fachwerber bij de Districts-Arbeidsbeurs te Amersfoort om zich daar 28 februari 1941 te melden.

—-

Voorpublicatie © 2021 E. Burger
Foto: bewerking/collectie Eric Burger (2021)

Meer als dit:

De oren vrij, selbstverständlich

De huurder en de huisbaas

Naar Polen