20 april 1943, O.L. Vrouw ter Eem, Daam Fockemaweg Amersfoort, 7.30 uur

Van Zandwijk liep langs de oprijlaan naar het geconfisqueerde internaat. Het wachtlokaal van de buitenbewaking stond los van de bakstenen muren van het reusachtige kloostergebouw. Hij bukte in de deuropening om zijn zwarte pet en de Mauser karabijn niet te stoten. Binnen gekomen liet hij de riem van de karabijn van zijn schouder glijden en plaatste het wapen voorzichtig tegen de muur van het wachtlokaal. Tegen het vallen, al was er geen gevaar want de patronen kregen ze toch alleen bij het wachtlopen mee. Om ze daarna weer, zorgvuldig nageteld, te moeten inleveren.

De raamloze ruimte was ongeveer zes bij drie, de dikke, gestucte muren witgekalkt en ze werd door midden gedeeld door twee lange tafels. Rond de tafels zaten vijftien mannen op kloosterbanken in hetzelfde zwarte uniform van de Wach und Schutz, van de Duitse firma Kötter. Nederlandse mannen van verschillende leeftijden, verschillende accenten, sommige rokend, allen met een mok koffie voor zich. Ze praatten en Van Zandwijk keek toe vanaf zijn plek bij de muur. De vaalzwarte wollen overjas jeukte in zijn nek. Een zweetdruppel liep van onder zijn pet langs zijn oog. Hij zette zijn bril af en poetste die op met een zakdoek.

‘Hee Van Zandwijk, koffie?’ kreeg hij toegeroepen vanaf de overzijde van de tafel. Voordat hij had kunnen weigeren werd hem een dampende mok voorgezet. De lucht van ersatz koffie drong in zijn neus, Van Zandwijk probeerde zijn misselijkheid te onderdrukken. Hij had niet kunnen ontbijten, hij had niet geslapen. Het was 20 april vandaag en hij had de hele nacht getobd, nagedacht, een plan gesmeed en weer verworpen, opnieuw nagedacht. En tussendoor die vreselijke gedachten: zijn kinderen, zijn Joodse kinderen, zouden die er nog wel zijn? Hij had de dekens opgetrokken tot zijn kin. Vandaag, 20 april, zou Joke, zijn Jopie, acht jaar worden. Zou ze wel…? Zou ze nog…? Hij woelde, hij dacht, hij huilde stil in het donker. Naast hem de rustige ademhaling van Wien. Misschien was Jopie er niet meer en Fietje dan ook niet. Hij had ze na de scheiding in Rotterdam achtergelaten bij zijn Joodse ex-echtgenote, zoals hij vrijwel alles in Rotterdam had achtergelaten. Vanuit de puinhopen was hij Wien gevolgd naar Amersfoort. Ze hadden nog naar Duitsland gewild, nou ja, samen dan. Maar het werd Lublin, in zijn eentje. Hij wist toch wat ze deden in het oosten met de Joden? Hij was er zelf geweest, had de rook van Majdanek gezien, gesnoven zelfs. Hij had de treinen zien rijden. De vrachtauto met de kinderschoenen. Niemand sprak er over, laat staan dat er iemand zou getuigen uit eigen ervaring. Hij overdacht de consequenties van mogelijke acties. Hij kende niemand om iets mee te ondernemen. Wien zou hem voor gek verklaren: Henny was nog geen jaar oud, ze zou hem uitfoeteren. Zijn pogingen om geld te verdienen voor het gezin hadden hen al van de regen in de drup doen belanden, met alle ruzies van dien. Alles was al mislukt. Ga maar na: de kapperszaak aan de Leusderweg gesloten. Zijn nieuwe werk als bewaker had hem van de Leusderheide, via het arbeidsbureau, tot in de kantine van kamp Amersfoort gebracht. Brood snijden en afwassen voor de SS. Hij was lid geworden van de NSB, de WA. Alles om aan het werk te blijven. Alles om maar niet weg gezonden te hoeven worden naar Duitsland. Alleen, hij kon niet goed alleen…

Dat lidmaatschap van de NSB had hij vorige maand in een opwelling ook weer opgezegd. Het was hem na Lublin niet gewóón gaan tegenstaan, nee hij walgde. Misselijk werd hij van de gedachte om onderdeel te zijn van die monsterlijke Duitse moordmachine. Hij gaf iedere dag af op zijn Duitse superieuren bij de Wach und Schutz die de opdrachten gaven en de roosters indeelden. Zodra die ’s morgens waren vertrokken en hij met een Nederlandse collega op wacht stond, liet hij zich gaan. Over die rotmoffen. Meestal werd hij meewarig aangestaard door de ander, of gemaand zich niet zo druk te maken. Maar nu was er iets gebroken in hem. Vóór die rotoorlog was begonnen had hij zijn kinderen in Rotterdam voor het laatst gezien. Hij probeerde zich voor te stellen hoe groot Joke — Jopie — nu zou zijn. Acht jaar, vandaag. Nou ja, als…

Wilde hij dit nog wel? Wilde hij wel door met leven als zijn kinderen mede door zijn toedoen…? Hij wilde — nee hij kon niet leven zo. Hij dacht aan de karabijn. Hij kende de verhalen over zelfmoord, hij zou de eerste niet zijn: karabijn op de grond laten rusten, de loop in je mond, iets met een touwtje. Je was zo weg. Rust, zonder schuld. Zonder pijn. Beter dan leven met de straf. Medeplichtig, dat was hij, hij was mede-plichtig aan moord. Moord op je eigen kinderen, kon het perverser? Nee dat was toch echt het aller-walgelijkste. Het monster wilde uit zijn maag, het wilde omhoog. Hij wilde het uitspugen, maar er kwam niks. Hij staarde in het donker naar de lichter wordende randen van de zwarte verduisteringsgordijnen. Werd het nu al licht? Was hij zo lang wakker geweest? Het was 20 april en hij zou wat doen, wat ondernemen. Hij zou de waarheid onthullen. Het werd zijn dood, maar hij had dan in ieder geval niet gezwegen. Zouden ze hem doodschieten? Nee, waarschijnlijker zouden ze hem naar Kamp Amersfoort sturen, maar dan naar de andere kant van het draad. Hij zou het dragen. Ze zouden hem pijn doen, misschien doorsturen naar Duitsland of verder. Maar dat de dood daar dan wachtte — ach, het was goed zo. Dood, verlossing, rust, weg. Geen pijn en geen schuld. Hij zou opstaan tegen de bezetter, voor Joke — hij deed het voor Jopie — voor zijn kind, dat vandaag acht jaar oud ging worden.

Van Zandwijk zette zijn bril weer op en keek de ruimte rond. Het geroezemoes, de gesprekken, ze drongen niet echt meer tot hem door. Hij haalde diep adem.

Hij zette één voet op de houten bank voor hem. Twee mannen keken op en schoven elk een kant op. In plaats van tussen hen in te gaan zitten zette Van Zandwijk ook de andere gelaarsde voet op de bank en richtte zich op. Om hem heen, onder hem inmiddels, verstomden de gesprekken en keek iedereen nu zijn kant op. Van Zandwijk schraapte zijn keel.

‘Vandaag is het 20 april’, begon hij. ‘Vandaag is mijn dochter jarig.’ In een hoek van de ruimte zette een lage stem een aarzelend ‘lang zal ze leven’ in, maar de stem stokte toen Van Zandwijk een bezwerend gebaar maakte: hij was voorlopig nog niet klaar.

‘Ik was in november in Polen zoals sommigen van jullie weten. Ik was in Lublin.’ Hij slikte. ‘Wat ik nog niet verteld had, vertel ik jullie nu. Lublin is één van de plekken waar ze alle joden naar toe brengen. Ik heb het gezien, ik heb de treinen zien rijden. En ik weet wat ze met de Joden doen daar.’ Aan de andere kant van de tafel fluisterde iemand een ander lid van de bewakingsdienst in het oor, die met een hand voor de mond gniffelde. Van Zandwijk zag het en wachtte een kort moment.

‘De Joodse vrouwen en hun kinderen — kleine kinderen — worden meteen vergast.’ Hij keek strak naar de gniffelaar. ‘En daarna, daarna worden ze verbrand. In ovens.’ Het was nu doodstil geworden in de ruimte. ‘De Joodse mannen, die…’

‘Godverdomme Van Zandwijk, nou ga je…’ begon een Amsterdammer van achter de tafel, maar hem werd het zwijgen opgelegd door een collega: ‘Ga door!’

‘De mannen, die moeten werken tot ze kapot zijn, tot ze zijn opgebruikt. Daarna gaan ze ook de gaskamer in. En de oven. Je ziet de rook van kilometers. De hele stad stinkt naar… naar brandend vet, naar verbrand vlees. Van vrouwen en kinderen dus.’

Er viel een stilte. De mannen keken naar hun mok.

‘Jezus.’

‘Maar eh, wat heb dat nou met die verjaardag te maken Van Zandwijk?’

‘Joke, Jopie, ze is, ze zou acht jaar worden vandaag. Ze is mijn dochter, ze is van een Joodse moeder. En ik weet gewoon niet of ze…’ Van Zandwijk brak en begon te snikken. ‘Ik weet echt niet of ze er nog is.’

Hij herpakte zich, ging rechter staan. ‘We moeten hier toch niet meer aan mee werken? We kunnen toch niet op wacht gaan staan terwijl zulke verschrikkelijke dingen gebeuren? We moeten vandaag laten zien aan de NSB, aan de Duitse…’. Van Zandwijk viel stil toen alle blikken zich plotseling richting deuropening hadden gewend.

In deuropening stond de Oberfeldwebel, een doorgaans vriendelijke rijksduitser van middelbare leeftijd. Hij had bij aanvang van zijn aanstelling bij Huize ter Eem er op gestaan dat iedereen hem in het Nederlands te woord zou staan. Wel sprak hij zelf dan in het Duits terug. Maar zijn vriendelijkheid was nu toch geheel verdwenen. Met over elkaar geslagen armen voor zijn borst, waarop het rode lint van het ridderkruis en de speld van het Verwundetenabzeichen prijkten, aanschouwde hij het tafereel. Hij keek op naar Van Zandwijk, hij keek naar de mannen aan tafel.

Hij brieste: ‘Von Zandwik! Kommen Sie jetzt sofort herunter. Und schnell!’

Langzaam liet Van Zandwijk zich van de bank glijden. Het zweet prikte onder zijn oksels, hij veegde vlug zijn voorhoofd droog en sprong in de houding. De Oberfeldwebel wenkte naar achteren en twee Duitse soldaten wrongen zich langs de banken en de muur naar binnen. De mannen krompen ineen aan tafel. De Duitsers klemden Van Zandwijk onder zijn armen vast en duwden hem hardhandig richting deuropening. Even leken daar de hoofden van de Oberfeldwebel en van Van Zandwijk elkaar te raken. In de deuropening verloor Van Zandwijk zijn pet.

Buiten gekomen werd Van Zandwijk overgedragen aan de inmiddels gearriveerde Feldgendarmerie. ‘Sabotage und Aufwiegelei’ hoorde hij de Oberfeldwebel zeggen. Geen idee wat dat kon betekenen, maar dat hij gedoemd was, wist hij. De grijze auto stond al klaar op de oprijlaan naar het internaat, met draaiende motor en de portieren open. Van Zandwijk staarde naar de ijzeren platen op de borst van deze Duitsers. Militaire politie. Hij keek op naar het massieve gebouw, het wapperend rood-wit-zwart aan de vlaggenstokken, het Mariabeeld op de gevel. Hij werd met het hoofd naar beneden op de achterbank geduwd en aan weerszijden nam een Duitse soldaat plaats. De mannen van de Feldgendarmerie klommen voor in de auto en het volgende moment waren ze op weg naar het centrum van Amersfoort.

Jan van Zandwijk werd op dinsdag 20 april 1943 gearresteerd door de Feldgendarmerie en ingesloten in het politiebureau van Amersfoort, op verdenking van sabotage en opruiing.

Joke (Jopie) van Zandwijk 20 april 1935 — 4 mei 2016 Datum en fotograaf onbekend; eigendom en bewerking: © 2018 E. Burger

Joke (Jopie) van Zandwijk 20 april 1935 — 4 mei 2016 Datum en fotograaf onbekend; eigendom en bewerking: © 2018 E. Burger

Voorpublicatie © 2018 E. Burger

Foto: Graffiti Brussel © 2020 E. Burger