Dinsdag 24 juni 1941, Leusderheide, 16:56 uur

Aan de bosrand, boven de zandweg, tekende zich een stofwolk af. Van Zandwijk kneep zijn ogen samen en ging wat rechterop staan. De wacht zat erop, in toestanden had hij nu geen zin. De hele dag oppasser spelen voor kippengaas en heide, het was met dit mooie zomerweer geen straf geweest, maar nu wilde hij graag de fiets kunnen pakken en naar Amersfoort, naar huis. Uit de stofwolk verscheen een vrachtauto, die zich schommelend, met gierende motor een weg door het mulle zand langs het bos ploegde. Van Zandwijks zwarte overhemd kleefde aan zijn rug onder de uniformjas. De vrachtauto sloeg linksaf en kwam nu recht op hem af.

Het leek zo van voren de Oldsmobile van aannemer Bloemheuvel wel. Of… ja het was Bloemheuvel, naast de chauffeur gezeten. En de laadbak van de vrachtauto was gevuld met zwart geüniformeerde mannen. Ook Bloemheuvel had vandaag voor deze gelegenheid zijn zwarte WA-uniform aangetrokken. Van Zandwijk verdween een moment in de stofwolk en deed kuchend en proestend een paar stappen terug.

‘Zandwijk, instappen!’, onmiskenbaar de stem en toon van Bloemheuvel. Geen tegenspraak, geen discussie. ‘Ja, maar het is vijf…’. ‘Schiet op Zandwijk, we hebben haast!’.

Handen reikten uit de laadbak naar Van Zandwijk, die zich zuchtend gewonnen gaf. Hij was nog niet gaan zitten, of de vrachtauto zette zich alweer met een schok in beweging, waardoor Van Zandwijk over drie WA-mannen heen struikelde die hem lachend en vloekend op een open plaats jonasten.

‘Waar gaan we naar toe?’, probeerde Van Zandwijk boven het motorgeraas uit te schreeuwen tegen  zijn buurman. Hij klemde zijn zwarte pet steviger op zijn hoofd.

‘We gaan bij de jonkheer op de thee!’, zei deze luid, met een overdreven bekakte stem. De anderen barsten meteen in een lachen uit, wat deed vermoeden dat deze grap al vaker was geplaatst vandaag. En Van Zandwijk kreeg het gevoel ergens in betrokken te gaan worden waar hij beslist buiten wilde blijven. De WA-kliek rond Bloemheuvel was een groep rouwdouwers waar hij hoogstens uiterlijk, met zijn zwarte Wach- und Schutz-dienst uniform bij paste, maar ze waren bepaald niet zijn soort. Waar Van Zandwijk graag alleen en voor zichzelf werkte, waren deze mannen gewend in gezamenlijkheid zware fysieke klussen te klaren, een weg aan te leggen, een huis te bouwen. De grove taal, de vette grappen, de lach na een luide scheet, voor Van Zandwijk hoefde het niet. Of sterker nog, bij iedere ‘trek-eens-aan-mijn-vinger’ kromp hij ineen, voelde hij zich meer een buitenstaander. En nu was hij dan in de volgende akte van dit toneelstuk beland. In een zwart uniform, onderweg naar een jonkheer.

De vrachtauto draaide aan het einde van de zandweg een klinkerweg op en kreeg meer vaart. Van Zandwijk hield zich vast aan de bank, zijn pet nu in de andere hand geklemd. Na enige tijd passeerden ze Maarsbergen. Aangestaard door de dorpsbewoners dook Van Zandwijk wat verder weg tussen de mannen. Ondanks de bries en de luchtstroom bij deze snelheid parelde het zweet op zijn voorhoofd.  Plotseling dook de vrachtauto de hoofdweg af, een bos in. Van Zandwijk hield zich nog wat beter vast. Aan het einde van een schaduwrijke laan met statige bomen aan weerszijden reed de vrachtauto de felle namiddagzon in en kwam tot stilstand in een dikke knerpende grindlaag.

De mannen sprongen uit de laadbak en Van Zandwijk deed het ze, iets minder energiek, na. Verbaasd keek hij om zich heen waar hij nu eigenlijk was beland. Rechts van het aangeharkte grind lagen gladgeschoren gazons, omzoomd door rododendrons en heesters. Links rees een kasteelachtig landhuis op, met een grote ronde toren op de hoek en gekleurde luiken naast de ramen. Aan de rand van het gazon zette een man in groene overall zijn kruiwagen neer. Zijn handen schoonwrijvend met een doek kwam hij op de bezoekers af. Aan zijn riem bungelde een snoeischaar zag Van Zandwijk, die zich wat afzijdig hield van de andere mannen. De WA-mannen posteerden zich nu in een rij voor de vrachtauto, de armen over elkaar. Bloemheuvel liep opgewonden heen en weer voor de groep. Niet in het minst geïmponeerd door de aanblik van dit tableau monsterde de tuinman de situatie.

‘Goedemiddag, wat kan ik voor de heren betekenen?’

‘De jonkheer. We willen graag even met de jonkheer praten’, antwoordde Bloemheuvel, ondertussen met zijn gouden sigarenpunter een verse sigaar knippend.

‘Dat zal niet gaan heren. De jonkheer is zojuist teruggekeerd van zijn rijtour en bereidt zich nu in de dependance voor op het diner. Natuurlijk kunt u contact opnemen met zijn secretaris, voor een afspraak. Goedemiddag!’ De tuinman draaide zich om en wandelde bedaard terug richting kruiwagen en gazon.

Bloemheuvel had de tuinman aangehoord, ondertussen de sigaar aanstekend. Vanaf Van Zandwijks standpunt achter Bloemheuvel leek de rook evenwel niet alleen uit zijn neusgaten, maar ook uit zijn oren te komen. Hij wond zich duidelijk geweldig op. Het bedoeld intimiderend effect van zijn voorkomen, het uniform, de zwart uitgedoste bouwvakkers om hem heen, het leek volkomen niet besteed aan de tuinman.

‘Hee!’

‘Hééé!’, nog harder schreeuwde Bloemheuvel de tuinman na. Die zich dan nu wel omdraaide.

‘Heren?’ De stoïcijnse blik en kalmte van de tuinman ergerde Bloemheuvel zozeer dat hij woedend zijn verse sigaar in het witte grind uit stampte. De tuinman keek naar de bruine vlek. ‘Ik zal zien wat ik voor u kan betekenen, maar ik kan helaas niets op voorhand beloven. Wie mag ik de jonkheer zeggen dat er is?’

‘Bloemheuvel’. Bloemheuvel spuugde het uit en zocht naar een verse sigaar in zijn zakken.

Na meer dan een kwartier tegen de laadbak te hebben gehangen sprongen de mannen weer in hun posities terug toen er op het bordes van het landhuis een persoon verscheen. Met kordate passen stevende deze recht op Bloemheuvel af, de rest van het gezelschap negerend.

Hij stak zijn hand uit naar Bloemheuvel, die haastig de sigaar uit zijn mond nam en een hand gaf.

‘Godin de Beaufort, aangenaam – en u was?’

‘Bloemheuvel’, antwoordde Bloemheuvel, nu op geheel andere toon. Van Zandwijk zag het van een afstand aan, geamuseerd door de omslag. De jonkheer was gekleed in een plusfour met daaronder onberispelijke bruine schoenen en op de broek een geruit overhemd onder een groen, fluwelen jagersjasje. Iets in de kleding, de houding en de ogen van de man gaven hem een overwicht, dat Bloemheuvel en zijn gelaarsde consorten blijkbaar niet meteen konden overtreffen.

‘Zo, de heer Bloemheuvel zelf, mooi. Dus ik mag veronderstellen dat de maaimachine van de ‘firma Bloemheuvel’ op mijn landerijen door u was geëngageerd? Ik heb daar eerstens niet om gevraagd en voorts hebben mijn tuinlieden geconstateerd dat jonge aanplant sans nuance is platgereden. Ik heb dan ook terstond een aanklacht laten indienen.’

Nu het taalgebruik van de jonkheer inderdaad welhaast nog geaffecteerder klonk dan hun imitaties, stonden enkele WA-mannen de grootste moeite te doen om hun lachen in te houden. De bedoelde intimidatie moest dan maar van Bloemheuvel zelf komen.

‘Luister es hier, eh … eh, Beaufort. Wij hebben een opdracht lopen van het Duitse leger voor de productie van camouflagenetten en daarvoor is heide nodig, heel veel heide. En het is voor de jongens niet altijd duidelijk waar de ene heide ophoudt en de andere begint. Dusss…’

‘Meneer Bloemheuvel,’ interrumpeerde de jonkheer, ‘voordat u uw pleidooi continueert zeg ik het u maar à bout portant: uw activiteiten voor de Duitse bezetter interesseren mij hoegenaamd niets. Men blijft eenvoudigweg van andermans eigendommen af.’

Bloemheuvel stapte nu naar voren en stond bijna neus aan neus met de jonkheer, die echter niet week of met de ogen knipperde. Eén van de WA-mannen deed een stap in hun richting, maar Bloemheuvel maande hem met een hand achter de rug tot afstand. Hij blies de rook van zijn sigaar in het gezicht van de jonkheer.

‘Weet jij wat jij riskeert? Weet je wel wat ze doen met lui zoals jij?’ Hij maakte met zijn hand een pistoolgebaar in de richting van de jonkheer, de sigaar nog tussen de vingers geklemd. ‘Dood.’ Hij draaide zich om, liep naar de vrachtauto en riep over zijn schouder ‘…of naar een concentratiekamp!’ Van Zandwijks maag trok samen, hij slikte haastig het zuur weg uit zijn keel.

‘Heren, we gaan!’ Bloemheuvel klom in de cabine, de mannen klauterden op de laadbak. De vrachtauto keerde langzaam op het grind en draaide om de jonkheer heen. Bloemheuvel herhaalde leunend uit het open portierraam nog eens zijn imaginaire schot, onverstoorbaar aangestaard door de jonkheer. De chauffeur gaf gas en de Oldsmobile raasde de oprijlaan af.

Voorpublicatie © 2020 E. Burger
Afbeelding:  Delpher, bewerking E. Burger