Andries meldde zich in mei 1943 bij afkondiging van de Arbeitseinsatz op advies van het Arbeidsbureau in Rotterdam bij aannemer Grauwen en Van Kempen aan de Noordsingel 174. Die leverde arbeidskrachten door aan de Nederlandse Oost Bouw (NOB) voor werk in het oosten. De NOB voerde op haar beurt contracten uit voor de SS. In Berlijn (foto) aangekomen krijgen de NOB-ers een uniform uitgereikt. Ze worden als zgn. SS-Frontarbeiders te werk gesteld in o.a. Pleskov, Riga en Koerland (Letland). Andries zal nog eenmaal op verlof naar Nederland komen, voor hij met de Duitse troepen in Koerland wordt ingesloten door de oprukkende Russen.

28 maart 1944, Rotterdam, Zoomstraat 5a, 14:15 uur

‘Maar dat vreselijke uniform doe je uit Dries, hoor je me?’ Handenwrijvend ging Sophia voor Andries uit de trap op de bovenwoning binnen, hier en daar een kind opzij schuivend om de weg vrij te maken.

‘Hee hee, ik ben goddomme net binnen Fie! Pleskov is echt niet naast de deur hè. Ik dacht dat je blij was dat ik thuis was en dan meteen dit gezeik,’ riep hij haar achterna. Andries stortte in de kamer neer op een stoel en knoopte zijn uniformjas los. Verwonderd en enigszins verontrust keken de kinderen van een afstand toe. Een jaar was lang. En daarvoor: een week, een paar weken, nooit was hij langer thuis geweest sinds oktober 1940. Voor de kleinsten was het een vreemde man, wist Sophia. Voor de oudsten, Joke en Sofie, een man die ze herkenden aan zijn zware stem, de grote handen. Maar dat rare bruine soldatenpak dat hij droeg, ze hadden vast geen idee waar dat nu vandaan was gekomen.

Sophia kwam de huiskamer binnen met een oude wollen trui en een broek. ’Hier’, ze wierp de kleding voor zijn voeten. ‘Doe dan dat afschuwelijke jasje in ieder geval uit.’ Andries begon zich met tegenzin van de uniformstukken te ontdoen. De koppelriem, het bruine uniformjasje, de uniformbroek en soldatenlaarzen lagen even later slordig op de houten vloer. Andries had de trui en broek nog niet aangetrokken of hij lag al luid ronkend in de stoel te slapen.

Sophia stak twee handen in de linkermouw van het jasje, trok de mouw strak en bekeek aandachtig de vreemde witte letters en cijfers op de zwarte, geborduurde armband rond de mouw. Ze rilde en schudde haar hoofd.

28 maart 1944, Rotterdam, Zoomstraat 5a, 23:17 uur

Boemboemboemboem.

‘Hu?’, met een ruk zat Sophia rechtop in bed. In het aardedonker van de slaapkamer luisterde ze aandachtig. Boemboemboem, doffe dreunen op de buitendeur beneden aan de trap. Ze hoorde nu ook geschreeuw, op straat voor het huis. Ze hoorde het ternauwernood boven het gesnurk van Andries uit, glipte uit bed, trok een jas over haar ondergoed aan en haastte zich de trap af. Er werd nu hard op de voordeur geslagen, er tegen geschopt ook leek het wel. ‘Ik kom, ik kom!,’ snel deed ze open.

Een lantaarn scheen haar in de ogen, ze had geen idee wie daar in de duisternis stonden, maar de drankkegel die ze meteen opmerkte deed weinig goeds vermoeden. ‘Papieren!’, riep de één. ‘Jaha, controle!’ riep een andere, onvaste stem er jolig achteraan. Met haar hand reikte Sophia naar de lichtbundel, maar de eigenaar van de lantaarn kantelde ogenblikkelijk de lamp een moment naar boven, zodat de bovenhelft van twee zwart geüniformeerde mannen zichtbaar werd. ‘Politie’, voegde nummer twee er nu overbodig aan toe.

Sophia was gewend geraakt aan de controles op straat, haar huwelijk met Andries had haar tot heden telkens beschermd, maar wie wist wat ze nu weer hadden bedacht. Ze huiverde en haalde langzaam het persoonsbewijs uit haar jaszak. Politie agent één griste het uit haar handen en richtte het licht op de kaart.

‘Zoho, bingo!’ bulderde hij triomfantelijk. ‘Ja, ik dacht al dat we hier met een jodinnetje te maken hadden, hè Kees? Kees lachte even triomfantelijk mee met agent één. ‘Zijn er hier nog meer zoals jij? Dan wordt het dubbele bonus vandaag, haha!’ Sophia wilde wat terug zeggen, maar werd ruw gegrepen door de twee Rotterdamse politieagenten. Ze spartelde fel tegen, begon te schreeuwen. ‘Houd je grote bek’, gromde de politieman, ‘je maakt iedereen wakker.’ ‘Ja, in de trein, daar mag je lekker schreeuwen, bij de andere jodenvrouwtjes,’ hijgde de andere in haar gezicht. Ze trokken haar door de deuropening, maar Sophia hield zich stevig aan een deurpost vast. Ze gilde en boven begonnen kinderen te huilen.

Ze beet agent Kees in zijn hand, die nu vloekend zijn wapenstok trok. Op dat moment klonken uit het trapgat drie of vier doffe dreunen gevolgd door een rochelende hoestbui. Van schrik lieten de agenten los. Agent één scheen met de lamp het trapgat in. Met nog een doffe dreun plofte een zwart gelaarsde voet een trede lager en viel het licht over een onderlichaam en twee benen gehuld in een bruin uniform. De broek was in de laarzen gepropt en bovenaan in het licht was nog net de blinkende gesp van een koppelriem zichtbaar.

‘Wat is hier aan de hand?’ baste een stem uit het donker van boven de koppelriem.

Een grote hand verscheen in het licht en kwam te rusten op de trapleuning. Bijna lichtgevend nu waren de witte letters SS-FAU 175 op de armband onderaan de bruine mouw. Gotische letters en cijfers, voorafgegaan door de SS-runen.

Andries bleef halverwege de trap staan en de agenten leken wel leeg te lopen, alle branie en triomf van zojuist verdwenen. Agent Kees herpakte zich als eerste. Hij schraapte zijn keel: ‘Ahem, wij zijn geïnformeerd geworden, dat zich op dit adres illegaal een jodin zou ophouden en dientengevolge…’ ‘Wil jij godverdomme heel gauw opsodemieteren voordat ik naar beneden kom!,’ bulderde Andries. Boven gingen de kinderen nog harder huilen. Sophia verstarde, de agenten deden een stap naar achteren. Andries kloste op de laarzen verder de trap af. Niet alleen had hij zijn uniformjas tot bovenaan dichtgeknoopt, ook had hij de bruin geverfde Feldmütze opgezet.

‘Dit is mijn vrouw. En dit is… Rotterdam!’ voegde hij er met een breed armgebaar voor dramatisch effect aan toe. ‘En jullie blijven met je gore politie tengels van haar af. Is dat begrepen? En nou gauw opgerot naar je bureau!’

Voorpublicatie © 2018 E. Burger
Foto: Eric Burger (2019)