Dit weekend heb ik joodse boterkoek gebakken. Of hij echt joods smaakte, weet ik niet: mijn moeder – ze overleed vijf jaar geleden, op 4 mei 2016 – maakte nooit joodse boterkoek voor ons, hoewel ze kind was van een joodse moeder en kleinkind van een joodse oma. We kregen wel eens een stukje boterkoek bij de thee, maar die kwam van de Spar of de bakker op het winkelplein in Ridderkerk-Oost. Mijn moeder kon wel heel lekker bitterkoekjespudding maken, met puddingpoeder van John Moir, verrijkt met in amandellikeur gedrenkte bitterkoekjes, maar die was dan weer niet joods.

Een tak van onze familie was dus joods, maar mijn moeder zei daar bijna nooit iets over. Je had ook mensen die uit een familie van Hugenoten stamden, of die rood haar hadden vanwege een verre Schotse voorvader. Zoiets was die joodse historie van ons: oude geschiedenis, niet de moeite waard om je in te verdiepen.

Mijn moeder vertelde sowieso niet zo veel en gaf de wijsheid die ze in haar leven had vergaard door in dooddoeners, zegswijzen en terechtwijzingen. ‘Alles is navenant.’ ‘Jij komt jezelf nog wel eens tegen.’

– ‘Wat eten we vanavond?’

– ‘Aardappelen, vlees en groente.’

Je merkte ook bijna niets van die joodse familiegeschiedenis, niet bij mijn moeder en niet bij mijn grootmoeder, die ik kende als Oma van de Duifjes, naar het duivenhok achter haar huis in Overschie. Bij ons thuis en bij mijn oma hing geen mezoeza aan de deurpost, er stond geen menora op de schoorsteenmantel, ze gebruikten geen Jiddische woorden en droegen geen kettinkjes met davidssterren. We vierden Pasen, Sinterklaas en Kerstmis, geen Pesach, Chanoeka en Jom Kipoer. Mijn moeder las in stilte boeken van Isaac Bashevis Singer, Chaim Potok en Ephraim Kishon, dat was het wel zo’n beetje. Eén keer hoorde ik haar over de cursussen kunstgeschiedenis die ze met religieuze ijver volgde tegen een achternicht zeggen: ‘Dat is typisch joods, hè, altijd lernen.’

Oma van de Duifjes zou daarvan hebben opgekeken, van zo’n openlijk vertoon van joodsheid, ware het niet dat zij net overleden was: het gesprek vond plaats tijdens de nazit na haar begrafenis.

Nu ik dit opschrijf, komen ook de woorden ‘gefilte fisj’ bovendrijven uit mijn geheugen. Een mythisch joods gerecht, dat mijn moeder wel eens noemde, maar nooit maakte: ‘Riviervis, helemaal vol met graten, dat eten wij niet.’ Ik zag een ontvelde karper voor me, en realiseer me nu pas dat die vis niet gevild wordt maar gevuld.

De enige bij ons thuis die wel over die joodse familiegeschiedenis vertelde, was mijn vader, die zelf uit een geslacht kwam van Rotterdamse sleepdienstdirecteuren en zeeloodsen uit Hellevoetsluis. Nou ja, vertellen – het waren meer flarden, toespelingen en steken onder water, waaruit ik als kind een kaal verhaal maakte dat zich snel laat vertellen. Mijn moeders voorouders waren in een onbestemd verleden – in de twintigste eeuw, in de negentiende? – uit Kiev vertrokken naar het westen. Ze waren onderweg naar New York, maar bleven steken in Rotterdam. Ze heetten Silberstein. En ze waren joods.

– ‘Toen we verkering kregen, maakte ik kennis met de tantes van je moeder: allemaal wijffies met van die zinksnijdersneuzen.’

– ‘Nou Jo, zo kan het wel weer.’

Mijn moeder is geboren in 1935, op 20 april. ‘Dat is ook de verjaardag van Hitler’, memoreerde mijn vader elk jaar. Ook daar had mijn moeder behalve een afwerende blik en een ‘Nou Jo, zo kan het wel weer’ niets aan toe te voegen.

Mijn moeder leerde ons tafel dekken (vorken links, lepels en messen rechts), met twee woorden spreken en plat-Rotterdamse tweeklanken vervangen door keurige algemeen beschaafde klinkers. Mijn vader kwam vaak te laat voor het avondeten en leerde ons Jiddische woorden: ‘Lekker nassen – zo noemden ze dat toch bij jou thuis, Jo?’

Mijn ouders heetten allebei Jo.

De joodse verteltraditie heeft een geweldige reputatie, maar mijn moeder en mijn oma deden er niet aan mee, zoals ze ook niet aan Chanoeka, mezoeza’s en joodse boterkoek deden. Meer dan de veel geroemde joodse witzen of Chassidische wijsheid mis ik de verhalen die ze me hadden kunnen vertellen over de geschiedenis van onze familie.

Verhalen maken geschiedenis. Ze maken herinneringen overdraagbaar: verpakt als verhaal krijgen we de herinneringen aangereikt van vorige generaties en kunnen we ze zelf doorgeven aan onze kinderen. Natuurlijk zijn verhalen geen herinneringen en herinneringen geen gebeurtenissen: wat gebeurt, blijft liggen in de tijd, terwijl de karavaan van herinneringen en verhalen verder trekt.

Van die verhalen, als levende, warme verbinding met het verleden, als schakels tussen de generaties: wat had ik er daar graag meer van gehad. De verhalen die mijn moeder over haar familie vertelde waren schaars en de belangrijkste bleken vals; de flarden en toespelingen van mijn vader bleken onbetrouwbaar: de Jo’se verteltraditie, waarin Kowno (Russisch voor Kaunas, Litouwen) zomaar Kiev kon worden.

Ik werd geboren na een ramp die gezinnen vernietigde, familieleden uiteendreef en overlevenden het vermogen tot vertellen benam. Veel van wat ik weet over de geschiedenis van onze joodse familie heb ik samen met mijn broer bij elkaar moeten puzzelen uit bevolkingsregisters, oude kranten, het archief van het Rode Kruis, processen verbaal, Verkaufsbücher van door de bezetter onteigende panden en andere documenten. Kale feiten, waar ik zelf verhalen van heb gemaakt, zoals je kunt proberen om een puzzel te leggen waarvan de doos met het voorbeeld zoek is en waarvan je niet weet of de stukjes compleet zijn.

Zoals ik probeerde met de ingrediënten en aanwijzingen die ik vond in het boek van Margalith Kleijwegt over haar joodse familie probeerde zelf een joodse boterkoek te bakken. op de eerste bladzijden van Verdriet en boterkoek heeft Kleijwegt het over boterkoek met gember. Maar in het recept achterin het boek ontbreekt de gember. Moest die door het deeg? Over de koek? In mijn zestigste levensjaar sneed ik drie bolletjes ingemaakte gember in snippers en strooide die over de vers gebakken koek.

Echte joodse boterkoek.


Tekst: Peter Burger

Afbeelding: Amazon.com