De kunstenaar Armando schreef al dat de natuur zich geen ene mallemoer aantrekt van wat gebeurd is op Een Plek, hoe vreselijk ook. Het is echt waar. Ik had gelezen dat Auschwitz zo vervloekt was dat zelfs de vogels er het zwijgen toe deden. Maar ik zag en hoorde mussen, zwaluwen en daar waar ik het zeker niet had verwacht een specht en een roofvogel. Het is vandaag 14 augustus 2019 en het droop van de regen toen we iets na acht uur ‘s morgens onder die iconische en lugubere poort het kampterrein betraden. Arbeit macht frei. Zes jaar geleden nog maar was het deksel van mijn familiegeschiedenis op een kier geopend en wist ik dat ik verbonden was met dat zwartste zwart van onze geschiedenis. En dat vaders, moeders en kinderen van mijn Rotterdams Joodse familie precies hier, een uur rijden van Krakau, maar ver van huis, waren vermoord.

Het regende vanmorgen hard en voor het kamp vormde zich in alle vroegte al een lange rij. Maar niet voor ons. Wij hadden ons een half jaar tevoren reeds voorbereid en ingeschreven als bezoekers en hoewel het meer moeite kostte om Auschwitz binnen te komen (paspoortcontrole) dan Polen zelf, stonden we ineens tussen de stenen gebouwen, het prikkeldraad met de isolatoren, in diepe plassen regen en modder. Intuïtief bewogen we ons in een andere richting dan de massa, die veelal met hoofdtelefoons getooid met een gids onderweg moest. We passeerden de galg waar uiteindelijk ook kampcommandant Höss zijn einde vond en maakten een bocht langs een betonnen, half ingegraven bunkerachtig gebouw. Helemaal samen en ver van alle mensen stonden we in het halfduister. Vastgeklampt tegen de horror. Openingen in het plafond. Achter een nauwe doorgang drie ovens. Ik weet dat een aantal dingen na de oorlog zijn gereconstrueerd. Die reconstructies zijn ook aangegrepen door holocaust-ontkenners. Maar ook de meest verantwoordelijke daders ontkenden niet wat hier heeft plaats gevonden. Het is allemaal echt gebeurd, aangericht door mensen.

Het is moeilijk te bevatten. De aantallen slachtoffers, de documenten in de tentoonstellingen, je loopt verdoofd door de gangen van de gebouwen. Je weet wat er komt, je kent het van de foto’s. Het is denk ik nodig om de enormiteit van de misdaad te laten zien door de brillen, de kunstledematen, de mokken en de bekers. En de koffers. Als mensen uit heel Europa niet werkelijk hun naam, leeftijd en herkomst op de koffers hadden geschilderd en geschreven, was dat het perfecte monument geweest. De koffers uit ‘Holland’, de Nederlandse familienamen (‘L. Grootkerk, 11-10-’05 Holland’), ze raken me diep van binnen. Ik zoek vergeefs naar een koffer van Moses Silberstein, naar een teken van mijn familieleden. Schoenen. Kinderschoenen. Het kan natuurlijk. Onderweg naar buiten stuitten we op een processie met kruisbeeld en veel in rood-wit gehulde mensen die vandaag de franciskaner geestelijke Kolbe kwamen herdenken. Die was heel moedig en is hier vermoord, maar het nationalistische aspect, het demonstratieve van kruis en kleuren op de vlaggen, de t-shirts, het steekt en detoneert.

Een paar kilometer verderop, in Birkenau, ben ik geraakt door de schaal van het immense kamp, de eindeloze rijen schoorstenen die de laatste overblijfselen vormen van de houten barakken. Het is zo’n absurd, abstract monument. Ik moest heel even denken aan de rijen stenen van Carnac. Misschien staat dit er over duizenden jaren ook nog. Als waarschuwing. Verdoofd leg ik de weg rond het kamp af. We zouden samen gaan, samen delen, maar ik kan het niet, niet hier. Ik ga op in de kolossaliteit en de beelden die ik er zonder moeite bij kan fantaseren. Ik weet te veel. Ik moet alles zien. Ik weet dat de grootste gruwelen aan het verre uiteinde van het kamp liggen, tegen de bosrand.

Het is de plek waar de zeldzame illegale foto’s zijn gemaakt, waar gevangenen hebben geprobeerd de aard en schaal van de misdaad als bewijs vast te leggen. Ook staan hier de berkenbomen, waartussen wachtende vrouwen en kinderen zijn gefotografeerd, Hongaren, op weg naar hun einde. En er is een vijver, waarvan het bekend is dat er as in werd gestort. Ik ken het, zie er de beelden van de Hongaarse film Son of Saul bij. Vanaf hier wordt het echt erger en meer. Ruïnes van gaskamers, crematoria volgen elkaar in tempo op. Het gebouw waar de gevangen werden ontvangen is compleet in tact gebleven. De machines voor ontluizing, de efficiënte architectuur, alles is door mensenhoofden bedacht, door bedrijven geleverd, de medeplichtigheid stopte niet bij de poorten. De directe daders hebben veelal hun straf weten te ontlopen, laat staan de hofleveranciers van deze hele doodsfabriek. Duitse bedrijven zetten tot de dag van vandaag nog steeds met een stalen gezicht op hun site dat ze niet meer zo goed weten wat de bezigheden of het werkterrein van hun onderneming en rechtsvoorgangers betrof in deze voor iedereen zo schreckliche periode. Ik verzin dit niet hoor.

Langs het beruchte emplacement lopen we onder de even beruchte poort weer naar buiten. Het regenen is ongemerkt opgehouden. Voor ons stopt recht voor de poort van Auschwitz Birkenau  een auto midden op de weg. Grote BMW, het raampje zoeft neer en een jongen met een mobieltje drukt af. Als zijn vader – of opa, wie zal het zeggen, verder rijdt, zie ik dat deze een Duitse nummerplaat heeft. Norbert, onze Poolse taxichauffeur vandaag citeerde met graagte uit zijn tienjarige ervaring in en rond Krakau. Hij zei, ik ben honderden keren naar Auschwitz en terug gereden, maar ik heb echt nog nooit Duitsers in mijn taxi gehad. Ze schamen zich vermoed ik.  Van mij hoeft dat niet denk ik dan, als we maar gewaarschuwd zijn.

Toen we weer instapten zei Norbert, ik heb echt nog nooit een stel gehad dat twee uur in Birkenau wilde blijven. Twee uur! Maar ja, jij bent historicus hè, dan is het vast anders. Volledig murw keren we huiswaarts.

Tekst: Eric Burger

Foto: Eric Burger